Vormen van autisme DSM-V

Vormen van autisme - DSM-V

Over autisme

Ongeveer 1% van de Nederlanders heeft een vorm van autisme. Mensen met autisme worden met autisme geboren. Het autisme blijft ook het hele leven aanwezig. Je ziet het niet aan de buitenkant, maar het kan van grote invloed op iemand zijn leven zijn.

Bij mensen met autisme werkt de informatieverwerking in de hersenen anders dan bij mensen zonder autisme. Alle informatie die mensen met autisme via hun zintuigen binnenkrijgen, dus dat wat zij zien, horen, voelen enz., wordt op een andere manier verwerkt. Dit komt tot uiting in zowel kwaliteiten als moeilijkheden, voor iedere persoon weer anders. Te denken valt aan overgevoeligheid of juist ondergevoeligheid voor bepaalde prikkels, moeite met het verwerken van non-verbale informatie, moeite met het schakelen tussen verschillende situaties enz. Autisme bestaat uit een breed spectrum. Naast de verschillende kwaliteiten en moeilijkheden horende bij autisme, kan autisme bestaan in combinatie met verschillende intelligentieniveaus, zoals een hoge intelligentie of juist een verstandelijke beperking. Ook de mate waarin iemand wel of niet zelfstandig kan leven verschilt per persoon.

Zoals al aangegeven, gaat autisme gepaard met zowel kwaliteiten als moeilijkheden. Allereerst, een aantal sterke kanten van mensen met autisme:

  • Eerlijk
  • Altijd zichzelf
  • Een eigen gevoel voor humor
  • Goed alleen kunnen zijn
  • Oog voor detail
  • Snel opmerken van veranderingen
  • Een goed begrip van schematische weergaven en visueel geheugen
  • Veel kennis van bepaalde onderwerpen
  • Goede concentratie op een bepaald onderwerp of een bepaalde taak
  • Goed in planmatig en stapsgewijs werken
  • Een eigen logica en een originele manier van problemen oplossen

De meest voorkomende kenmerken van een autismespectrumstoornis zijn:
Beperkingen in de interactie

De beperkingen in de interactie kunnen zeer uiteenlopend zijn. Zo kan sprake zijn van het volledig afsluiten voor contact met anderen. Vaak wordt dan alleen contact gezocht vanuit de eigen behoeften. Ook kan er sprake zijn van het maken van spontaan contact, maar is dit contact opvallend.
Beperkingen in de communicatie

Ook de beperkingen in de communicatie kunnen zeer uiteenlopend zijn. Bij sommigen verloopt de taalontwikkeling normaal. Bij anderen is sprake van een achterstand of blijft de gesproken taal in zijn geheel weg. Vaak zijn er opvallendheden in het gebruik of begrip van taal. Er kan sprake zijn van eigenaardig taal- of woordgebruik of een beperkt begrip van humor en abstract taalgebruik. Veel mensen met autisme vinden het lastig om een gesprek met anderen te beginnen of te onderhouden.
Zich herhalende, stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten

Mensen met een autismespectrumstoornis houden zich vaak vast aan bepaalde gewoonten / vaste routines / rigide denkpatronen. Deze patronen helpen hen om de verwarrende en soms beangstigende buitenwereld controleerbaar te maken. Zij kunnen in paniek raken wanneer er een detail in de omgeving verandert. Mensen met autisme kunnen een sterke voorkeur hebben voor bepaalde voorwerpen of onderwerpen, hobby's, niet-functionele gewoonten en stereotype bewegingen.

Om het gedrag van mensen met autisme beter te verklaren, wordt gebruikgemaakt van drie modellen:
Centrale coherentie

Mensen met een autismespectrumstoornis hebben moeite met het komen tot een samenhangend (coherent) beeld. Zij hebben vaak een goed oog voor detail, maar hebben moeite om van deze details een samenhangend geheel te maken. Dit verloopt trager, waardoor zij hiervoor meer tijd nodig hebben.
Executieve functies

Executieve functies zijn functies van de hersenen die belangrijk zijn bij het plannen van acties en het doelgericht oplossen van problemen. Mensen met een autismespectrumstoornis vinden het vaak moeilijk om goed te plannen en te organiseren en flexibel om te gaan met veranderingen.
Theory of mind (TOM)

De Theory of mind is het vermogen van mensen zich een beeld te vormen van het gezichtspunt van een ander en indirect ook van zichzelf. Mensen met een autismespectrumstoornis hebben een achterstand in de ontwikkeling van de TOM waardoor ze zich moeilijk in anderen kunnen verplaatsen. Hierdoor zijn de bedoelingen van een ander vaak onduidelijk en is het gedrag van een ander moeilijk te voorspellen.

Deze theorieën kunnen het autisme niet volledig verklaren. Nog steeds komen wetenschappers tot nieuwe inzichten.

Tot ongeveer halverwege 2014 werd binnen het spectrum van autisme onderscheid gemaakt tussen verschillende diagnoses waaronder ‘Autistische stoornis (klassiek autisme)’, ‘Syndroom van Asperger’ en ‘Pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven (PDD-NOS) (waaronder de subgroep MCDD)’. Sinds 17 mei 2014 wordt bij het diagnosticeren van psychiatrische problemen gebruikgemaakt van een nieuw handboek, namelijk de DSM-V. Sindsdien wordt gebruikgemaakt van de overkoepelende classificatie ‘Autismespectrumstoornis (ASS)’. Met autisme bedoelen we dus verschillende diagnoses, namelijk ‘Autismespectrumstoornis (ASS)’, ‘Autistische stoornis (klassiek autisme)’, ‘Syndroom van Asperger’ en ‘PDD-NOS’.

Hieronder is meer te lezen over de overgang naar de DSM-V en de verschillende diagnoses.
DSM-V

Op 17 mei 2014 is de DSM-V gelanceerd. Dit is een handboek dat gebruikt wordt bij het diagnosticeren van psychiatrische problemen. Er staat in welke diagnoses er zijn en welke criteria daarvoor gelden. Eerder werd bij het diagnosticeren van psychiatrische problemen gebruikgemaakt van de DSM-IV. Er is gekozen voor het gebruik van de DSM-V, omdat de DSM-IV verouderd is en er door de jaren heen steeds meer nieuwe inzichten zijn opgedaan. De DSM-V zal gaan gelden voor alle nieuw te stellen psychiatrische diagnoses. De overgang naar de DSM-V heeft ook gevolgen voor de diagnostiek van autismespectrumstoornissen.

Allereerst verandert de naamgeving. In plaats van een pervasieve ontwikkelingsstoornis zal voortaan gesproken worden van een autismespectrumstoornis. De autismespectrumstoornis valt onder de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen. De huidige diagnoses ‘Autistische stoornis’, ‘Syndroom van Asperger’ en ‘PDD-NOS’ worden samengevoegd tot de overkoepelende classificatie ‘Autismespectrumstoornis (ASS)’. De stoornis van Rett en de desintegratiestoornis van de kinderleeftijd verdwijnen als aparte classificatie uit de categorie. Er is voor deze samenvoeging gekozen, omdat er te weinig wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor het onderscheid tussen de verschillende diagnoses.

Naast de veranderde naamgeving zijn de criteria die gebruikt worden voor het diagnosticeren van een autismespectrumstoornis anders. Er zullen voortaan twee domeinen worden onderscheiden in plaats van drie, namelijk:

Beperkingen in de sociale communicatie en interactie.
Repetitief gedrag en specifieke interesses.

Onder bovenstaande twee domeinen zijn zeven symptomen ondergebracht die worden onderzocht. Voorheen waren dit twaalf symptomen. Verschillende symptomen zijn samengevoegd of nagenoeg verdwenen. Een symptoom dat is toegevoegd, is de sensorische onder- of overgevoeligheid. Per domein wordt de ernst van de beperking aangegeven door middel van drie niveaus van ondersteuningsbehoefte. Vanuit de DSM-IV werd de mate van ernst aangegeven met behulp van de GAF-score. Er wordt daarnaast gespecificeerd met betrekking tot onder andere taalstoornis, verstandelijke beperking, medische of genetische conditie.

Mensen met opvallende beperkingen in de sociale communicatie, die verder niet voldoen aan de criteria van een Autismespectrumstoornis, worden aanvullend onderzocht op de aanwezigheid van een sociale communicatiestoornis. Dit is een nieuwe classificatie.
Autismespectrumstoornis (ASS)

Autismespectrumstoornis (ASS) is de verzamelnaam voor de verschillende vormen van autisme. Zoals al aangegeven, is het de naam die gegeven wordt aan alle vormen van autisme nu de DSM-V gebruikt wordt bij het vaststellen van psychiatrische problemen. Er wordt gesproken over een spectrum, omdat autisme zich op veel verschillende manieren kan uiten.

Mensen met ASS vertonen beperkingen in de sociale communicatie en interactie. Dit betreft tekorten in de sociaal-emotionele wederkerigheid, tekorten in de non-verbale communicatie die gebruikelijk zijn binnen de sociale omgang, en tekorten in het aangaan, onderhouden en begrijpen van relaties. Mensen met ASS vertonen ook stereotiepe patronen van gedrag. Dit kan bestaan uit stereotiepe spraak, bewegingen en gebruik van objecten, routines, rituelen en moeite met veranderingen, beperkte, gefixeerde interesses en sensorische onder- of overgevoeligheid. Er moet aan alle drie de symptomen van ‘beperkingen in de sociale communicatie en interactie’ worden voldaan en daarnaast aan minimaal twee symptomen van ‘stereotiepe patronen van gedrag’.

Per domein wordt de ernst van de beperking aangegeven door middel van drie niveaus van ondersteuningsbehoefte: ‘Vereist ondersteuning’, ‘vereist substantiële ondersteuning’ en ‘vereist zeer substantiële ondersteuning’. De mate waarin het functioneren op de verschillende levensgebieden wordt belemmerd, is leidend.

Het is mogelijk om aan de diagnose ASS specificaties toe te voegen zoals een taalstoornis, verstandelijke beperking, medische of genetische conditie.

Het is mogelijk om de diagnose ASS te stellen wanneer repetitief gedrag en specifieke interesses in de kindertijd aanwezig waren, maar in de volwassenheid niet meer. Een ASS kan ook worden vastgesteld wanneer de symptomen in de kindertijd aanwezig waren, maar de last juist pas later is ontstaan.
Autistische stoornis (klassiek autisme)

Autistische stoornis is een term die gebruikt wordt in de DSM-IV. Er wordt ook wel gesproken over Klassiek autisme, kernautisme of Kannersyndroom. Leo Kanner was een Oostenrijkse kinderpsychiater, werkend in Amerika, die in 1943 als een van de eersten autisme beschreef als een apart syndroom.

Mensen met een Autistische stoornis of Klassiek autisme vertonen kwalitatieve beperkingen in de sociale interactie en verbale en non-verbale communicatie. Ook is er sprake van beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten waarbij sprake is van een stoornis in de verbeelding.

De beperkingen in de sociale interactie komen naar voren in het beperkte gebruik van non-verbaal gedrag, zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking, lichaamshouding en gebaren om de sociale interactie te bepalen. Er is vaak afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid en een tekort in het spontaan delen van plezier, bezigheden of prestaties met anderen. Mensen met een Autistische stoornis slagen er vaak niet in met leeftijdsgenoten tot relaties te komen passend bij het ontwikkelingsniveau.

De beperkingen in de verbale en non-verbale communicatie kunnen op verschillende manieren tot uiting komen. Zo kan er sprake zijn van een achterstand in of de volledige afwezigheid van de ontwikkeling van gesproken taal. Wanneer hier sprake van is, wordt dit niet gecompenseerd door middel van andere communicatiemiddelen, zoals gebaren. Het kan ook zijn dat de spraak van iemand met een Autistische stoornis voldoende ontwikkeld is, maar dat hij of zij moeite heeft met het beginnen van een gesprek met een ander of dit gesprek te onderhouden. De moeite met communicatie kan ook tot uiting komen in eigenaardig woordgebruik of stereotiep en herhaald taalgebruik. Ook gevarieerd spontaan fantasiespel of sociaal imiterend spel, zoals doen-als-of- / nadoen-spelletjes, passend bij het ontwikkelingsniveau kan ontbreken.

Er is ook sprake van beperkte, zich herhalende en stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten. Hierbij is tevens sprake van een stoornis in de verbeelding. Dit kan op verschillende manieren tot uiting komen, zoals een sterke voorkeur voor één of meerdere stereotiepe en beperkte patronen van belangstelling die abnormaal is in intensiteit of aandachtspunt. Mensen met een Autistische stoornis kunnen ook erg rigide zijn en daarmee duidelijk vastzitten aan specifieke routines / rituelen die niet functioneel van aard zijn. De stoornis kan ook tot uiting komen in stereotiepe en zich herhalende motorische maniertjes, zoals fladderen of complexe bewegingen met het gehele lichaam. Er kan ook een aanhoudende voorkeur voor delen van voorwerpen bestaan.

Mensen met een Autistische stoornis hebben voor het derde levensjaar een ander functioneren of achterstand op bovenstaande drie criteria. Vaak gaat deze diagnose samen met een lage intelligentie of verstandelijke beperking.
Syndroom van Asperger

Het Syndroom van Asperger heeft zijn naam te danken aan de Oostenrijkse kinderarts Hans Asperger. Hij beschreef voor het eerst in 1944 de gedragskenmerken van deze stoornis. Het Syndroom van Asperger is in Nederland pas sinds de jaren tachtig bekend.

Mensen met het Syndroom van Asperger, vastgesteld met behulp van de DSM-IV, hebben net als mensen met een Autistische stoornis problemen op het gebied van de sociale interactie en zich herhalende en stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten. Wat anders is, is dat mensen met het Syndroom van Asperger geen significante achterstand vertonen in de taalontwikkeling en cognitieve ontwikkeling. Er is over het algemeen sprake van een normale taalontwikkeling en een normale tot hoge intelligentie. Toch zorgt de diagnose voor beperkingen op verschillende belangrijke terreinen, zoals in het sociaal of beroepsmatig functioneren.

Mensen met het Syndroom van Asperger kunnen bij het spreken, gebruikmaken van taal die te formeel en gestructureerd is voor de gebruikte situatie. De betere verbale vaardigheden en begaafdheid camoufleren vaak zeer goed de andere (ernstige) beperkingen van mensen met het Syndroom van Asperger. Dit maakt dat de beperking voor hulpverlening en ondersteuning vaak onderschat wordt.
Pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven (PDD-NOS)

Mensen met PDD-NOS, vastgesteld met behulp van de DSM-IV, hebben niet alle kenmerken van autisme, maar wel een aantal.

Er is sprake van een ernstige en pervasieve beperking in de ontwikkeling van de wederkerige, sociale interactie samen met tekortkomingen in de verbale of non-verbale communicatieve vaardigheden, of stereotiep gedrag, interesses en activiteiten. Dit terwijl niet voldaan wordt aan de criteria voor een specifieke pervasieve ontwikkelingsstoornis, schizofrenie, schizotypische persoonlijkheidsstoornis of ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. Tot de categorie PDD-NOS behoren ook de atypische autismebeelden die niet voldoen aan de criteria van de Autistische stoornis vanwege een begin op latere leeftijd, atypische symptomatologie of te weinig symptomen.

PDD-NOS is onder de autismespectrumstoornissen een veelvoorkomende diagnose.
Multiplex (complex) Developmental Disorder (McDD)

McDD komt niet voor in officiële classificatiesystemen, zoals de DSM-IV. Toch wordt de laatste jaren steeds vaker gesproken over McDD als subgroep van PDD-NOS.

Mensen met McDD hebben naast de kenmerken van PDD-NOS moeite met het reguleren van hun emoties. Ze worden door emoties overspoeld en hebben last van veel angsten. Ook is er vaak sprake van agressief gedrag. Naast de emotieregulatieproblemen is er sprake van denkstoornissen. Mensen met de diagnose McDD hebben een veel te sterke fantasie waardoor hun gedachten soms niet meer te remmen zijn en ze werkelijkheid en fantasie nauwelijks meer van elkaar kunnen onderscheiden.
Sociale communicatiestoornis

Zoals al eerder genoemd, is er met de intrede van de DSM-V een nieuwe classificatie ontstaan. Het betreft de Sociale communicatiestoornis. Mensen met opvallende beperkingen in de sociale communicatie, die verder niet voldoen aan de criteria van een Autismespectrumstoornis, worden hier aanvullend op onderzocht. Er is nog weinig wetenschappelijke onderbouwing van deze nieuwe classificatie en de behandelmogelijkheden.
Meer informatie

Er is veel informatie over autisme beschikbaar. Daarom is in de bovenstaande beschrijving gekozen voor een wat meer algemene beschrijving. Er zijn veel boeken verschenen met meer specifieke informatie. Ook op internet is veel goede informatie te vinden, zoals op de website van de NVA.